Ze slaapt zo teder
Ze slaapt zo teder als de nacht,
Die mooi gedekt vol sterren staat,
In stille schemer schijnt ze zacht,
Rust in haar ogen, haar gelaat,
Versterkt nog haar zoete kracht,
En minzaam dromen achterlaat.
Haar lach zo lieflijk onbevangen,
Vraagt helder geurend te behagen,
En op haar lippen en roze wangen,
Gloeit zachtjes en zo zonder klagen,
Een fluistering in een stil verlangen,
Naar ’t samen zijn van vroegere dagen.
Meer schaduw of wat avondlicht,
Deed wonderen voor haar serene pracht,
En gaf haar krullen, haar gezicht,
Zo alle liefs waaraan zij dacht,
Met ogen vol verwondering dicht,
Kust zij het kind dat naar haar lacht.
Eric Willemsens, Antwerpen
Op de onnoembare momenten zijn we machteloos,
Bevroren in stille wanhoop, achtergelaten in een uitzichtloze nacht,
Mijn gemoed rust onzichtbaar, mijn woorden zijn verloren,
Lees nu mijn hart, kom dichter, die stilte kan je horen.
Maar een haastige schakering van weemoed koos een weg,
Naar mijn lot dat ik herkende toen ik het zag,
Wat jij in de eeuwigheid doet weerklinkt in mijn leven,
Waar je gewone dingen verheft tot mededogen gedreven.
Als wind over de heuvels is mijn bestaan voorbijgegaan,
Ik luister naar de zon weerspiegeld in het wenende water,
En denk aan de avonden dat ik je hart kon verwarmen,
Je hand vasthield met een gevoel van eindeloos omarmen.
Dan komen stille wateren in beweging en voel ik krachten,
Die me ademloos dragen voorbij pijn en onbehagen,
En kijk ik op naar de zuidelijke sterrenhemel als gedenken dat je leeft,
Dartel, transparant en broos als een zijdezachte vlindervleugel die zweeft.
Eric Willemsens, Antwerpen